De zesde roman van Gerrit Komrij (1944). In een krantenbericht over een door de BVD in het leven geroepen maoïstische sekte stuit Komrij op de naam van een jeugdvriend. Het artikel is de aanleiding voor deze roman in drie afdelingen over vriendschap en idealen. Domineeszoon Arent Wiebenga is tevergeefs op zoek naar een vriend voor het leven. Eerst in zijn puberteit, dan in zijn studententijd (Amsterdam jaren 60) en ten slotte als geradicaliseerde strijder in de jungle. In het 'addendum' volgt de ontluistering. Naast een boek over vriendschap is dit in feite de fictieve uitwerking van een thema dat Komrij al langer bezighoudt en dat hij in zijn lezing 'Het verraad van mijn generatie' al eerder beschreef. Daar als vilein essay, nu in poëtische schetsen, waarin hij een oordeel bewust achterwege laat. Dit boek doet met name in het eerste hoofdstuk denken aan Komrijs debuutroman 'Verwoest Arcadië', qua stijl, maar ook door de wijze waarop het karakter van de hoofdpersoon gestalte krijgt. Mooie roman, waarin verschillende thema's die bepalend zijn voor Komrijs schrijverschap samenkomen.
| Vestiging | Locatie | Beschikbaarheidsinformatie |
| Ezinge | |  | Aanwezig | Info |
Aantal reserveringen voor dit item: 0