Na 1945 maakte de Duitse filosoof Jaspers (1883-1969) als existentiefilosoof diepe indruk. Met zijn vragen naar de mens en diens plaats in de wereld voedde hij de hang naar zelfbezinning van de naoorlogse mens. Zijn filosofie is vooral een filosofie van de vrijheid, omdat ze nadruk legt op zelfbeschikking en tolerantie, nog altijd actuele thema's. De filosofie ontspringt aan menselijke grenssituaties als lijden en dood, strijd en schuld. Zich hierop bezinnend kan de mens zichzelf overstijgen: existeren en transcenderen bepalen onze situatie. Over het wezen van het Zijn kunnen wij slechts in 'chiffren' spreken. Het zijn van de mens schetst hij als continue mogelijkheid zich bewust te zijn van zichzelf, zijn vrijheid en verantwoordelijkheid. Zaken als vooruitgang, technologische ontwikkeling en politieke macht bespreekt hij kritisch. Filosofie kent hij naast wetenschap en religie een eigen plaats toe, omdat zij leidt tot bestaansverheldering. Waarheid is bij hem niet iets los van de mens: ze heeft een communicatief karakter. Schüszler geeft een duidelijk beeld van Jaspers' denken. Zijn kritische kanttekeningen dragen hiertoe zeker bij. Deel uit de reeks 'Kopstukken Filosofie': inleidingen voor een ruim publiek tot invloedrijke filosofen.
| Vestiging | Locatie | Beschikbaarheidsinformatie |
| Ezinge | |  | Aanwezig | Info |
Aantal reserveringen voor dit item: 0